Voor telers die vooruit kijken

Bestrijding oevervlieg met nieuwe entomopathogene schimmel

‘Lure & infect’, nieuwe gerichte aanpak met schimmels
60 0
Bestrijding oevervlieg met nieuwe entomopathogene schimmel

Een bij toeval gevonden schimmelstam van Beauveria bassiana, die oevervliegen kan doden en vanuit hun kadavers nieuwe sporen kan produceren, lijkt in combinatie met een nieuwe gerichte aanpak – ‘lure & infect’ – een veelbelovende oplossing tegen deze plaag. In plaats van de schimmel volvelds toe te passen, is gekeken naar de mogelijkheid om de beestjes naar lokbakken met algen te lokken.

Door een sporenoplossing van de ziekteverwekkende schimmel toe te voegen, kunnen oevervlieglarven, die in deze lokbakken ontwikkelen, gelijk besmet raken en kunnen gezonde oevervliegen sporen uit dode vliegenkadavers oppikken en verder door de kas verspreiden.

Oevervliegen (Ephydridae) kom je net als rouwmuggen (Sciaridae) heel algemeen tegen in de glastuinbouw. Het zijn kleine, donkergrijze vliegen tussen de 3 en 5 mm, met een robuust lichaam en korte poten en antennes. Typisch zijn de vijf witte vlekken op elke grijze vleugel. De larven zijn geel tot bruin zonder duidelijke kop. Dit in tegenstelling tot de rouwmuglarven die wit zijn met een zwarte kop. De poppen zijn bruin, met aan één kant een karakteristieke gevorkte structuur. Ze hechten zichzelf, vaak in groepen, aan de oppervlakte van objecten of potten net boven het substraat of de wateroppervlakte. Algen vormen de voornaamste voedselbron voor zowel de volwassen vliegen als de larven.

Cosmetische schade

Oevervliegen vormen geen directe plaag voor het gewas. Ze eten niet van de wortels van het gewas, zoals de rouwmuglarven. Wel kunnen ze cosmetische schade veroorzaken door hun uitwerpselen en ze kunnen, net als rouwmuggen, sporen van schimmelziekten zoals Fusarium en Pythium overbrengen.

“De kleine vliegjes worden al snel problematisch doordat ze zich razendsnel kunnen vermeerderen. Bij een temperatuur van 20°C hebben ze maar 15 of 16 dagen nodig om zich van ei tot volwassen vlieg te ontwikkelen en bij 25°C nog maar 10 tot 11 dagen. Juist vanwege de grote aantallen zijn ze hinderlijk voor zowel telers als consumenten”, vertelt onderzoeker Marjolein Kruidhof van Wageningen University & Research.

Zij is projectleider van het PPS-project ‘Nieuwe methoden voor bestrijding van bodemplagen in de glastuinbouw’. Het project is gestart in 2015 en begin dit jaar zijn de laatste proeven afgerond. Het is gefinancierd door Stichting TKI Tuinbouw (Ministerie LNV) en Productschap Tuinbouw, de gewascoöperatie eenjarige zomerbloeiers, Florensis, Syngenta, Horticoop en LTO Glaskracht Nederland. Een commissie van telers en vertegenwoordigers van Florensis en Syngenta begeleidt het project.

Nieuwe aanpak

Uit eerder onderzoek tegen rouwmuggen (zie ook Onder Glas september 2016) bleek al dat rouwmuggen sterk reageren op geuren van verschillende typen substraat. “Op basis van een grote serie gedragsproeven hebben we toen het meest aantrekkelijke substraat voor deze muggen geïdentificeerd. Vervolgens hebben we op basis daarvan een lokmethode ontwikkeld. Hiermee konden we in een praktijkproef twee keer zoveel rouwmuggen vangen als met een standaard gele vangplaat. Gedragstesten met oevervliegen lieten toen geen enkele aantrekking tot geuren van algen of andere substraattypen zien. Dat is de reden dat we voor de bestrijding op zoek zijn gegaan naar een andere invalshoek.”

Deze nieuwe invalshoek kon door een toevallige ontdekking van onderzoeker Joop Woelke worden ingezet. Hij ondervond problemen bij de kweek van oevervliegen voor een van de proeven. Heel veel vliegen bezweken aan een schimmelinfectie. Vervolgens heeft hij deze schimmel geïsoleerd en doorgekweekt op petrischalen met agar. Collega Khanh Pham bepaalde daarna met een moleculaire identificatiemethode om welke soort het gaat. Het bleek te gaan om een nieuw isolaat van Beauveria bassiana, dat verschilt van de B. bassiana soorten die al als commercieel product beschikbaar zijn.

Andere strategie

In plaats van strategie op basis van geuren is voor de bestrijding van oevervliegen verder gewerkt aan de ontwikkeling van een zogenaamde ‘lure & infect’-strategie op basis van entomopathogene schimmels. Dat zijn schimmels die insecten ziek maken, zoals het door Woelke gevonden schimmelisolaat.

Kruidhof: “Het idee achter deze strategie is dat we de entomopathogene schimmels niet herhaaldelijk volvelds toedienen, maar alleen in speciale bakken met algen. De larven, die zich ontwikkelen uit de eitjes in deze bakken, kunnen besmet raken met de schimmel. Wanneer deze schimmel vervolgens uit de kadavers van de geïnfecteerde oevervliegen uitgroeit, kunnen de sporen worden opgepikt door volwassen vliegen die de sporen vervolgens verder in de kas kunnen verspreiden.” Ze heeft de ‘Lure & infect’-strategie en het nieuwe B. bassiana WUR-isolaat in een aantal stappen getest.

‘Proof of principle’

Dit gebeurde onder andere in een zeven weken durende kasproef met grote kooien met het WUR-islolaat, een commerciële B. bassiana schimmel en een controle zonder schimmel. “Aan het begin van de proef hebben we in elke kooi een bakje met algen en oevervlieg larven geplaatst. Tevens hebben we vijf paartjes gezonde volwassen oevervliegen losgelaten. Elke twee weken zijn er zogenaamde ‘testbakjes’ en ‘lokbakjes’ met verse algen toegevoegd aan de kooi. De sporenoplossingen werden alleen toegevoegd aan de zogenaamde ‘lokbakjes’.”

De ‘testbakjes’ stonden model voor de algenplekken in de kas die niet waren behandeld met entomopathogene schimmels. “Aan het einde van de proef vonden we drie keer minder levende volwassen oevervliegen in de kooien die behandeld waren met het nieuwe isolaat in vergelijking met de controlebehandeling. Het aantal levende vliegen in de kooien met het commerciële product verschilde daarentegen niet van de controlebehandeling.”

Ook in deze proef trad alleen schimmeluitgroei van het B. bassiana WUR-isolaat op uit de oevervliegen die waren ontwikkeld uit algenbakjes die niet waren behandeld met sporenoplossingen en niet bij het commerciële product. “Het lijkt er dus op dat alleen het WUR-isolaat zich naar onbehandelde algenplekken kan verspreiden.”

Voortgang

De begeleidingscommissie is enthousiast over het project en wil graag verder. “De volgende stap is om in praktijkproeven te onderzoeken in hoeverre het nieuwe isolaat zich in de kas kan verspreiden in een populatie van oevervliegen en of de schimmel in de kas in stand kan worden gehouden”, vertelt Kruidhof over het gewenste vervolg.

Wel kijken de onderzoekers of de schimmel interessant is voor toelating als gewasbeschermingsmiddel. “Helaas is dat tot op heden nog steeds een zeer kostbaar traject en we zullen met potentiële aanvragers in gesprek moeten gaan wanneer zo’n traject haalbaar wordt. Zeker moeten we dan ook kijken welke plaagsoorten deze schimmel nog meer kan aanpakken.”

Samenvatting

Bij toeval is er een stam van Beauveria bassiana gevonden die oevervliegen kan besmetten en opnieuw uitgroeit uit hun kadavers. In combinatie met een nieuwe aanpak – ‘lure&infect’ – wordt gezocht naar de mogelijkheid deze schimmel pleksgewijs toe te dienen in plaats van de hele kas te behandelen. De oevervliegen krijgen bakken met algen voorgezet, die besmet zijn met de schimmel. De larven die zich in deze bakken ontwikkelen raken hierdoor besmet en volwassen exemplaren die naar de bakken komen kunnen de schimmelsporen oppikken en door de kas verspreiden naar nog onbehandelde plekken met algen.

Tekst en beeld: Marleen Arkesteijn en Wageningen University & Research.

Geef commentaar

Uw e-mail adres wordt niet gepubliceerd