Voor telers die vooruit kijken

‘Braam reageert anders op licht en CO2 dan tomaat’

Belichting bedekte teelt houtig kleinfruit in de winter
331 0
‘Braam reageert anders op licht en CO<sub>2</sub> dan tomaat’

Bramen en frambozen zijn dé nieuwe uitdaging voor onderzoekcentra die al jarenlang kennis hebben opgebouwd van kasteelten. Deze gewassen laten zich niet makkelijk lezen en geven daarom hun geheimen niet zomaar prijs. Tegelijkertijd zit er groei in deze teelten en is er veel behoefte aan kennis. De eerste proeven met belichting zien er veelbelovend uit.

De belangstelling voor zachtfruit neemt toe onder een steeds grotere groep in de samenleving. Het GroentenFruit Huis meldde onlangs dat het verbruik van sinaasappelen in restaurants significant afneemt en plaats maakt voor zachtfruit.

Het onderzoek speelt in op de vraag naar kennis over de bedekte teelten van bramen en frambozen, met name in het winterseizoen. Vorig jaar deden zowel het Delphy Improvement Centre als Wageningen University & Research businessunit Glastuinbouw in Bleiswijk de eerste proeven met LED’s. Inmiddels hebben beide een vervolg gekregen en vindt er intensieve kennisuitwisseling plaats. Onderzoekers Lisanne Helmus-Schuddebeurs (IC), Jan Janse en Kees Weerheim (beiden WUR) geven inzage in de eerste bevindingen, toegespitst op bramen.

Het juiste lichtspectrum

WUR zoomt in op het lichtspectrum dat het meest geschikt is voor de bramen- en frambozenteelt. Janse voert dit onderzoek uit in vier afdelingen, twee met een helder en twee met een diffuus kasdek. Iedere afdeling heeft 75 µmol/m2/s toplicht. Deze installatie wordt aangevuld met drie soorten tussenlicht, namelijk standaard rood/blauw, extra blauw en extra verrood. De lichtintensiteit van het tussenlicht is 75 µmol/m2/s, waarmee de totale lichthoeveelheid op 150 µmol/m2/s komt.

Gekozen is voor de bramenrassen Loch Ness en Chester (plantdatum 14 september). In de twee afdelingen met frambozen staan de rassen Kwanza en Shani. De eerste oogst van frambozen startte in week 45 en van bramen in week 49. Een week na het planten zijn de onderzoekers gestart met belichten, 18 uur per etmaal. De belichtingsinstallatie schakelt af op basis van verwachte instraling of bij 300 W/m2.

Goede winterproductie

Het IC heeft één afdeling met bramen, alleen het ras Loch Ness (plantdatum 11 september). De planten zijn afkomstig van dezelfde partij planten als de proef bij WUR. Ze zijn opgekweekt in groeiseizoen 2017 en van december 2017 tot september gekoeld bewaard. Dat is bijzonder lang. Het doel van deze proef is om een vroege winterproductie te realiseren en een energiezuinig nieuw teeltconcept te ontwikkelen.

De planten krijgen drie verschillende lichtbehandelingen, namelijk volledige topbelichting, topbelichting met één streng en met twee strengen tussenlichtmodules. Opgeteld krijgen alle bramen evenveel licht, namelijk 200 µmol/m2/s. Hier is in de eerste fase van de teelt niet belicht omdat er nog voldoende buitenlicht was. De LED’s gingen op 15 oktober aan. De belichtingsduur is 16 uur, van 6.00 tot 22.00 uur. Bij een lichtintensiteit van 300 W/m2 en een stralingssom van 800 tot 1.000 Joules wordt afgeschakeld.

“Wij laten ons hier leiden door de plantbalans”, legt Lisanne Helmus uit. “We belichten iets minder lang dan de buren, want de lichtintensiteit is een derde hoger en de lichtsom van de LED’s 19% hoger. We zien dat bramen beter reageren op een koude nacht. In de eerste proef vorig jaar hielden we een langere belichtingstijd aan. De vruchtkwaliteit was toen onvoldoende.”

Nu al is duidelijk dat de productie van behandelingen met tussenlicht ver voor loopt op alleen toplicht. De onderzoekster probeert te achterhalen of dit nu komt door het lichtniveau of door de iets hogere temperatuur.

Warmteverdeling

Behalve het zoeken naar het juiste lichtrecept liggen er veel vragen over de warmteverdeling in het gewas. Vorig jaar deed WUR belichtingsonderzoek met een hybride installatie, waardoor de planten warmtestraling van bovenaf kregen. De onderzoekers willen na afloop de temperatuurregimes van beide proeven naast elkaar leggen en vergelijken. Bovendien doen zij metingen van de fotosynthese en verschillende pigmenten op meerdere hoogtes om het gewas beter te doorgronden.

Het is lastig om productiecijfers te vergelijken, want er zijn meer factoren dan klimaat die daaraan bijdragen. Vorig jaar plantte Helmus in november verse, geforceerd gekoelde planten. Nu is gebruik gemaakt van planten die meer dan een half jaar zijn bewaard. “Die bewaartijd heeft invloed op de kwaliteit van planten”, legt Janse uit. “De meeste planten hebben zes longcanes (eenjarig hout). Als één of twee takken zijn aangetast door Botrytis in de bewaarcel, dan presteren ze veel minder. Kortom, de variatie in planten is groot, waardoor ook productieverschillen ontstaan.”

Daarom moeten deze proeven ook worden gezien als een start in het vergaren van kennis over de bedekte jaarrondteelt. “Het feit dat het hoofdras al zo’n 35 jaar geleden is ontwikkeld voor de buitenteelt zegt ook iets over de kansen die er nog liggen voor veredeling van rassen die goed reageren op belichting in de winter”, geeft hij aan.

Smaak- en inhoudsstoffen

Een ander belangrijk thema is smaak en inhoudsstoffen. Janse meet de houdbaarheid, de brixwaarde (suiker), zuur en vitamine C van de vruchten uit beide proeven. Bekend is dat lichtkleuren de smaak en kwaliteit kunnen beïnvloeden. Licht als stuurmiddel kan de smaak mogelijk verbeteren.

“We hebben gemeten dat de vruchten van de behandeling met blauw licht een hogere refractie hebben en hoger drogestofgehalte bevatten” vertelt Kees Weerheim. “Het verrode licht lijkt vooralsnog niet positief. Een braam reageert daar heel anders op dan bijvoorbeeld een tomaat.”

Ook het anthocyaangehalte krijgt aandacht. Op vruchten die aan de plant diep donker zijn gekleurd, kunnen tijdens de bewaring al snel rode besjes ontstaan. Het lijkt er op dat dit gebeurt als een vrucht niet voorzichtig wordt geoogst. Janse wil weten welk mechanisme verantwoordelijk is voor de afbraak van de donkere kleurstof. Het ene ras is er meer gevoelig voor dan het andere.

Bescheiden CO2-vraag

Braam reageert ook anders op CO2 dan veel andere vruchtgewassen. Weerheim: “In de winter zie je dat de fotosynthese op bladniveau sterk verbetert bij een concentratie van 400 tot 600 ppm. Daarboven neemt deze niet veel meer toe. Bovendien blijkt dat er forse rasverschillen zijn. De fotosynthese is bij Loch Ness ruim 2,5 keer hoger dan bij Chester. Dit zien we ook duidelijk terug in de productie.” Vanwege de bescheiden CO2-behoefte is het mogelijk een interessante teelt voor de toekomst.

“Maar klopt deze aanname ook voor andere tijden van het jaar”, vraagt de onderzoeker zich af. Van bedekte voor- en najaarsteelten is bekend dat er veel wordt geschermd of gekrijt. Dit kan een beperkende factor zijn in CO2-opname. Ook blijkt dat braam in het voorjaar veel beter omgaat met hogere CO2-dosering. Niemand weet exact hoeveel licht braam verdraagt, maar bladeren lijken in de winter sneller te verouderen als ze meer assimilatielicht krijgen. Op al deze vragen zullen de onderzoekers dit teeltseizoen nog geen antwoord krijgen, maar een begin is wel gemaakt.

Het onderzoek valt binnen het programma Kas als Energiebron en wordt ondersteund door Signify.

Samenvatting

Op de twee onderzoekcentra in Bleiswijk krijgt houtig kleinfruit veel aandacht. Eén proef richt zich op een vroege winterproductie met behulp van 100% LED’s. De andere proef heeft een meer fundamentele insteek, waarbij de relatie tussen lichtkleuren, gewasontwikkeling en smaak wordt onderzocht. Het verloop van de proeven stemt de onderzoekers optimistisch. Wel is duidelijk dat er nog heel veel kennis ontbreekt.

Tekst en beeld: Pieternel van Velden.

Geef commentaar

Uw e-mail adres wordt niet gepubliceerd