Voor telers die vooruit kijken

Nieuwe roofwants beperkt vestiging Nesidiocoris tenuis in tomaat

Ook positieve resultaten in roos en gerbera
22 0
Nieuwe roofwants beperkt vestiging Nesidiocoris tenuis in tomaat

Onderzoekers hebben een drietal soorten roofwantsen van de familie Miridae gevonden, die de vestiging van de schadelijke roofwants Nesidiocoris tenuis in de tomatenteelt kan beperken. “Omnivore roofwantsen kunnen heel wat gaan betekenen voor de biologische bestrijding”, stelt onderzoeker Gerben Messelink.

De wants Nesidiocoris tenuis is de laatste jaren een serieus probleem in de tomatenteelt. Hoewel deze wittevlieg en tomaatmineermot bestrijdt, richt het insect zo’n schade in het gewas aan dat telers het eerder aanmerken als plaag dan als predator. Deze mediterrane rovers prikken in vruchten en bloemen en zorgen voor necrotische ringen waardoor stengels afbreken. Ze belemmeren de groei van de plant, wat leidt tot misvormingen. Koppen vallen uit, de productie stagneert.
“In Zuid-Europa wordt ‘Nesi’ al jaren ingezet in tomaat tegen Tuta absoluta”, vertelt onderzoeker Gerben Messelink van Wageningen University & Research, business unit Glastuinbouw uit Bleiswijk. “Diverse andere bestrijders zoals aaltjes en sluipwespen zijn hier ook geprobeerd, maar Nesi blijkt het meest effectief. Zuid-Spaanse telers zien het beestje dan ook vooral als nuttige predator.”
Dat is honderden kilometers naar het noorden wel anders. Voor Nederlandse tomatentelers is het een serieus probleem. De gewasschade is fors en de roofwants is moeilijk selectief te bestrijden. Chemische middelen hebben ook een nadelig effect op Macrolophus, familie van Nesi, waardoor een plaag als wittevlieg vrij spel krijgt. Het verstoort het hele biologische bestrijdingssysteem in de kas. Daarnaast ontwikkelt het beestje zich sneller dan zijn verwante soorten. “Het is een warmteminnend insect, dus bij een kastemperatuur van 20°C groeit de populatie al aanzienlijk”, zegt Messelink.

Omnivoren in een spectrum

Om dit probleem aan te pakken, heeft WUR in samenwerking met LTO Glaskracht Nederland in 2015 een projectvoorstel ingediend: ‘Plaagbestrijding met omnivore roofwantsen’. Deze publiek-private samenwerking is in 2016 van start gegaan en wordt voor de helft gefinancierd door het Ministerie van LNV en de andere helft door het bedrijfsleven. De bedrijfsfinanciering voor dit project komt van de gewascoöperaties Tomaat, Gerbera en Roos, de Stichting Programmafonds Glastuinbouw en Koppert Biological Systems.
“Nesi is een roofwants uit de familie Miridae, net zoals Macrolophus”, legt Messelink uit. “Miridae zijn omnivoren, die zowel de plant als voedsel gebruiken, maar ook dienen als predator. Er zijn veel verschillende soorten miridae en zij bevinden zich allemaal op een andere plek in dit spectrum. De ene soort eet meer plant, de ander meer prooi. Zo is Macrolophus een roofwants die erg plaaggericht is en slechts beperkt schade aan planten geeft. Nesi daarentegen geeft al snel schade, maar is ook een goede plaagbestrijder.”
Messelink en zijn collega Ada Leman hebben afgelopen jaar een kasproef uitgevoerd, waarbij ze hebben gekeken of de vestiging van dit insect in tomaat wordt beperkt, wanneer er al een populatie van andere wantsen is gevestigd. Om te bepalen of de dichtheden van deze ‘familieleden’ ook worden beïnvloed door Nesi, zijn er controlebehandelingen meegenomen met deze wantsen zonder de beduchte predator.

Insectenkooien

De kasproef is uitgevoerd in grote insectenkooien met in iedere kooi één tomatenplant: ras Brioso, geënt, met twee stelen. Het effect is beoordeeld voor drie soorten nieuwe roofwantsen, die de onderzoekers uit Zuid-Europa hebben gehaald. “We hebben onderzocht wat het effect van deze drie soorten was op de bestrijding, en we hebben gekeken naar de ontwikkeling en vestiging van deze insecten in tomaat en naar de nevenwerking op Nesi. Het resultaat was best wel spectaculair”, zegt de onderzoeker. “Nesi kon zich in alle behandelingen vestigen, maar we zagen dat in de insectenkooien, waar we een populatie hadden opgebouwd met de nieuwe soorten en waar we later Nesi aan hadden toegevoegd, de vestiging met gemiddeld 90% werd teruggedrongen.”
De uiteindelijke populatiedichtheid van de roofwants bij zijn drie Zuid-Europese soortgenoten was gemiddeld 85%, 92% en 95% lager ten opzichte van de controlebehandeling. Andersom was er geen significant effect.

Effect op kas- en tabakswittevlieg

“In het laboratorium is bevestigd dat de volwassen wantsen van de drie nieuwe soorten zich tegoed doen aan de jonge nimfen van Nesi, maar het is nog onduidelijk wat het effect van Macrolophus op het insect is”, zegt Messelink. “In de praktijk zien we wel dat Macrolophus dan vaak wordt verdrongen en ook in het laboratorium zien we dat deze wants zich niet voedt met jonge nimfen van Nesi. Daarmee zou inzet van deze nieuwe soorten een voordeel kunnen bieden ten opzichte van Macrolophus. Het is dan wel belangrijk te weten of ze de belangrijkste plagen even goed bestrijden”, stelt Messelink.
Nu de onderzoekers weten dat de drie Zuid-Europese wantsen de tomatenmineermot bestrijden, wordt er dit jaar gekeken wat het effect van deze soorten is op kas- en tabakswittevlieg.

Standing army

Messelink is enthousiast over het eerste resultaat. “De roofwantsen moet je zien als een standing army. Wanneer je de nieuwe soorten preventief kunt inzetten, ze verschillende plagen kunnen bestrijden, Nesi kunnen aanpakken en geen gewasschade toebrengen, dan zetten we een grote stap in de biologische bestrijding.”
De onderzoekers willen telers uiteindelijk een totaalpakket kunnen bieden. “We zoeken een roofwants die zo goed mogelijk een plaag bestrijdt en geen schade aan het gewas toebrengt”, stelt Messelink. “Ik heb goede hoop. Ik denk deze insecten heel wat gaan betekenen in de toekomstige biologische bestrijding.”


Ervaringen in roos en gerbera

In het kader van hetzelfde onderzoek hebben de onderzoekers ook gekeken naar de inzet van omnivore roofwantsen in gerbera en roos. “We denken dat ook in deze gewassen dit insect uitkomst kan bieden”, zegt onderzoeker Gerben Messelink.

“Wittevlieg, rups, Echinotrips, al deze plagen zijn te bestrijden met roofwantsen, dus er is een mogelijkheid, maar we moeten nog meer onderzoek doen. Gaat het om gerbera, dan zien we dat de dit insect moeite heeft met vestigen, vooral door de huidige techniek van meeldauwbestrijding. Telers bespuiten het gewas; het is niet zozeer de toxische waarde, waardoor de bestrijder verdwijnt, maar uit onderzoek blijkt dat bespuiting onder hoge druk de predator ‘wegblaast’. Dus als we een andere manier vinden van meeldauwbestrijding, kunnen we ook hier een populatie roofwantsen opbouwen en plagen op deze manier bestrijden.”

De onderzoekers doen ook proeven met het opbouwen van een populatie van deze bestrijders in roos. “Roos is een houtachtig gewas, waardoor het lastig is om dit insect te laten vestigen. Wantsen houden meer van harige, kruidachtige gewassen. Maar door bijvoorbeeld gebruik te maken van een waardplant, kunnen we wellicht deze predatoren in de teelt houden. We hebben al aangetoond dat we Echinotrips in roos op deze manier goed kunnen bestrijden.”


Samenvatting

Een drietal soorten roofwantsen van de familie Miridae kan de vestiging van het schadelijke familielid Nesidiocoris tenuis in de tomatenteelt beperken. Onderzoekers bekeken het effect daarvan op de plaagbestrijding. Ze keken naar de ontwikkeling en vestiging van deze drie Zuid-Europese predatoren in tomaat en naar de nevenwerking op Nesi. De uiteindelijke populatiedichtheid van Nesi was bij de drie geteste roofwantsen zo’n 90% lager ten opzichte van de controlebehandeling. De verwachting is dat deze omnivore insecten ook in roos en gerbera een uitkomst kunnen bieden.

Tekst en foto’s: Marjolein van Woerkom.

Geef commentaar

Uw e-mail adres wordt niet gepubliceerd