Voor telers die vooruit kijken

Home Posts Tagged "watergeefstrategie"

watergeefstrategie

,
37 0

Sendot research uit Bunnik is erin geslaagd om zuurstof en chlorofyl fluorescentie sensoren te ontwikkelen die het teeltmanagement op een nog hoger niveau kan brengen. Telers kunnen bijvoorbeeld met de nieuwe chemo-optische sensor zuurstof monitoren in hun substraat. Dat was eerder nog niet mogelijk, zo meldt het bedrijf.

Dat betekent dat telers hun waterstrategie kunnen afstemmen op de behoefte van de plant. Dat heeft als voordeel dat telers altijd de gepaste hoeveelheid water kunnen geven en dus water besparen. Bovendien maakt het de plant weerbaar tegen pathogene schimmels zoals Pythium en Fusarium. Op die manier is 3 tot 5% meer productie te behalen.

Verder maakt het bedrijf bekend een distributieovereenkomst te hebben afgesloten met Royal Brinkman.

MEER INFO: SENDOT RESEARCH, STAND 411.

,
37 0

Toename van de belichtingscapaciteit, nieuwe diffuse glassoorten en intensief schermen zijn ontwikkelingen die grote invloed hebben op de watergeefstrategie. Planten kunnen zelf heel goed hun welbevinden aangeven, als je maar van de juiste combinatie van metingen uitgaat. Een kleine bijscholingscursus kan net dat duwtje geven om het iets beter te doen.

Voor het bekijken van deze content heeft u een lidmaatschap nodig, of log in als u al een lidmaatschap heeft.

,
388 0

Een samenwerkingsverband van drie bedrijven is bijna klaar met de ontwikkeling van een webapplicatie waarmee potplantentelers hun watergift kunnen optimaliseren. De adviestool moet telers handvatten bieden en advies geven over het beste moment om water te geven. Door de vochtigheid in de pot te meten en de weersverwachting met een klimaat- en groeimodel te combineren krijgt de teler maatwerkadvies.

In januari wil het consortium, bestaande uit Delphy (teeltadvisering), B-Mex (gewasmodellen) en Florinco (automatisering), de eerste versie introduceren. Het samenwerkingsverband kwam tot stand op initiatief van ErfGoed, dat hoogwaardige teeltvloeren levert. “Onze vloeren maken een zeer homogene watergift mogelijk, maar de teler bepaalt hoe vaak en hoeveel water hij geeft”, zegt Cock van Bommel namens de teeltvloerenproducent. “Deze keuzes hangen samen met tal van factoren, zoals het gewas en de groeifase, het kasklimaat en de weersomstandigheden. Het is lastig om binnen dat complexe en dynamische geheel altijd de juiste afwegingen te maken. Een slimme softwareapplicatie kan de teler of teeltmanager daarbij assisteren. Dat moet leiden tot nog betere teeltresultaten, een lagere ziektedruk en een efficiëntere inzet van water, meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen. Wij zijn blij dat dit nu is opgepakt.”

Advies op maat

Volgens Klaas van Egmond van Delphy is de app bijna gereed. Over de werking zegt hij: “Sensoren houden de vochtigheid in de pot voortdurend in de gaten. In combinatie met de weersverwachting en een klimaat- en gewasspecifiek verdampingsmodel krijgt de teler vervolgens advies op maat over de watergift. De eerste testen hebben uitgewezen dat het rekenmodel goed werkt. Momenteel zetten we de puntjes op de i om de toekomstige gebruikers een overzichtelijke en gebruiksvriendelijke applicatie te kunnen bieden.”
De webapplicatie krijgt de naam Watergeven.nl. De releasedatum is nog niet vastgesteld, maar telers kunnen er volgens Van Egmond zeker mee kennismaken tijdens de IPM in Essen en HortiContact in Gorinchem.

Tekst: Jan van Staalduinen.

,
335 0

Volgens Arie Draaijer van Sendot Research BV uit Bunnik valt er met hun sensortechnologie nog heel wat winst te behalen in het wortelmilieu. "Wij denken dat een productiestijging van 3 tot 5% in bedekte teelten mogelijk is. Maar minstens even belangrijk, zal ook de gevoeligheid voor ziekten afnemen. Het wortelmilieu was tot nu toe in de tuinbouw een beetje blinde vlek."

Arie Draaijer is de CTO en business manager van Sendot Research BV, dat op 16 januari 2015 is opgericht. Zijn jullie nog een start-up? "We voelen ons nog wel zo. Het eerste jaar is vooral gewerkt aan de ontwikkeling van ons platform, en dat is nog lang niet klaar. Wel zijn we zo langzamerhand onze producten in de markt aan het zetten. Dan heb ik het vooral over onze zuurstofsensor. Die is het verst in de ontwikkeling en die zijn we nu bij verschillende bedrijven in de praktijk aan het testen. Eigenlijk zijn we een scale-up, want we hebben net twee nieuwe mensen aangenomen: een voor de verdere ontwikkeling van onze software en een voor de hardware-kant."

Sensorspecialist

Arie Draaijer is een van de oprichters van Sendot. Investeerder is de Delft Research Groep, algemeen directeur is Bert van Tol van Groen Agro Control. "Die heeft mij leren kennen toen ik nog bij een ander bedrijf werkte. Toen dat failliet ging zei hij: die technologie, daar geloof ik wel in. Wij zagen en zien dat er in de tuinbouw meer sensoren en minder analyseapparatuur gebruikt zullen worden voor het on site meten van chemische parameters. Daar wilde ik bij zijn."
Wij zijn een analyseclub, vervolgt Arie. "Ik ben eigenlijk een sensorspecialist, maar ben hier CTO en heb zo'n beetje de dagelijkse leiding. Bert van Tol is de echte directeur. Alles wat we op het gebied van strategie en markt beslissen doen we samen. Daarnaast hebben we ook nog wat adviseurs rondlopen, die ons helpen om van het bedrijf een succes te maken. Hiervoor was ik ontwikkelaar bij TNO."

Businessmodel

Sensortechnologie is sterk in opkomst, bevestigt Arie. "De elektronica wordt steeds kleiner en slimmer en de behoefte aan allerlei directe meettechnieken wordt groter en groter, of dat nou op het lichaam is, in de medische sfeer, in auto's of bij planten... Je kunt het zo gek niet bedenken of sensortechnologie krijgt steeds meer voet aan de grond."
Hij vervolgt: "Ons businessmodel bestaat uit twee delen: wij ontwikkelen onze eigen sensoren en verkopen die ook, maar wij doen ook ontwikkeling voor derde partijen. Wij werken op dit moment voor twee bedrijven, het gaat ons voornamelijk om de sensorplatforms. Wij werken niet alleen voor de agrosector, maar ook voor de industrie, voor de milieumarkt zeg maar. Voor een bedrijf in Brabant houden wij ons bezig met biomonitoring, waar ze met levende materie - bacteriën in dit geval - een early warning-systeem maken voor de watermarkt. Als de bacteriën dood gaan dan weten ze dat er iets mis is met de waterkwaliteit, vergelijkbaar met het kanariepietje van vroeger in een steenkolenmijn. Voor dat bedrijf hebben wij de detectietechnologie ontwikkeld om e. coli-bacteriën op een laag niveau te detecteren in drinkwater, proceswater et cetera. Dit was eerst een patent van een Oostenrijks bedrijf, dat failliet is gegaan. Dat was niet zo verwonderlijk, want het apparaat dat zij hadden ontwikkeld was te duur en te groot en ze hadden teveel mensen. Wij hebben dat apparaat veel kleiner en een factor 4 goedkoper gemaakt, met dezelfde performance", zegt Arie trots.

Wortelmilieu

Wij kennen de tuinbouw heel goed, vervolgt Arie. "Vanuit TNO, maar ook via Groen Agro Control. Ik heb zelf ook een tijdje - tussen 2007 en 2012 - gewerkt bij Fytagoras, een spin-off van TNO, aan de ontwikkeling van sensortechnologie. Toen zagen wij al dat het wortelmilieu in de hightech tuinbouw een onderontwikkeld gebied is. Wij verwachtten toen al dat er in het wortelmilieu significante verbeteringen mogelijk waren, niet alleen qua productie, maar ook qua ziektegevoeligheid."
Wij maken zuurstofmetingen in het wortelmilieu mogelijk, zegt Arie. "Toen ik 15 jaar geleden begon met sensoren waren er nog geen bedrijven bezig met zuurstofsensoren die zijn gebaseerd op het optochemische principe. Dat zijn sensoren met een speciale coating die “van kleur veranderen” als gevolg van je meting. Wij hebben nu een zuurstofsensor die met ditzelfde principe ook temperatuur meet. Die temperatuur moet je meten voor een nauwkeurige zuurstofmeting. De meeste sensoren die volgens dit principe werken hebben een temperatuurcompensatie met een 'ouderwetse' elektronische sensor. Wij hebben die twee functies dus gecombineerd in een coating, daar zit onze knowhow in."

Watergeefstrategie

Maar voor wie is zo'n zuurstofsensor nou interessant? Arie: "Wij weten dat er in het wortelmilieu nog veel winst valt te halen. Wortels vragen veel zuurstof, maar ook de bacteriën en het hele bodemleven er omheen. Op het moment dat je zuurstofloos bent, krijgen anaerobe bacteriën een kans te gaan groeien. Die veroorzaken wortelziektes, dat is wetenschappelijk breed onderzocht en bekend. Maar een zuurstoftekort in het wortelmilieu constateren en er iets aan doen zijn wel twee verschillende dingen. Maar zolang je het niet kan constateren kan je er ook niets aan doen, meten is weten."
Op het gebied van watergeefstrategie kun je al belangrijke stappen maken, vervolgt Arie. "Bijvoorbeeld door het aanpassen van watergeefbeurten. Ook het moment van watergeven heeft invloed: stel dat de zon schijnt, het is buiten 35 graden en de plant is volwassen en groeit. Dan dendert de hoeveelheid zuurstof bij de wortels overdag gewoon naar nul. Er zijn ongetwijfeld tuinders die het wortelmilieu op dit moment redelijk goed voor elkaar hebben, maar niet onder alle omstandigheden. Er zijn ook tuinders die het waarschijnlijk niet goed voor elkaar hebben, maar dat zelf niet weten. Puur omdat ze dat zuurstofdeel niet meten of niet goed kunnen meten."

Teeltmaatregelen

Als ik een specifiek gewas teel, geven jullie daar dan ook teeltadvies bij? "Wij zijn geen teeltadviseur, maar een sensorbedrijf. Wij hebben wel wat algemene richtlijnen. Er zijn ook adviseurs bij Groen Agro die daarbij kunnen helpen. We zijn ook mensen om ons heen aan het verzamelen die ervan overtuigd zijn dat dit invloed heeft en tot verbeteringen willen komen bij de individuele tuinder. Een aantal van die dingen moeten gewoon nog uitgezocht worden. Wij willen aan de ene kant tuinders bewust maken van het feit dat er mogelijkheden zitten, dat hij kan signaleren: hier gaat wat mis, ik roep een adviseur erbij, we gaan er samen naar kijken en langzaam proberen bij te sturen. Bijvoorbeeld: moeten we grotere of kleinere beurten geven, dichter op elkaar of juist niet, moeten we naar een hogere EC et cetera", aldus Arie.
Welke algemene richtlijnen hanteren jullie? "Als je een mat bekijkt en je hebt daar 5 cm water in staan en dat water gaat niet weg... In zo'n steenwolmat is alle zuurstoftransport zoals dat heet 'diffusiebeperkt', er is geen stroming. Op het moment dat de diffusie beperkt wordt in dat water gaat het zuurstoftransport tergend langzaam. Je moet dan het water verdringen, want dan breng je nieuwe zuurstof in. Maar in water zit maar heel weinig zuurstof. Algemeen gesteld kun je met de watergeefbeurten maar 20% van de zuurstofbehoefte van een volwassen plant dekken. Dus als je voldoende water geeft met voldoende EC en nutriënten, dan nog geef je maar 20% van de zuurstofbehoefte van het wortelsysteem. Extra zuurstof toevoegen aan het gietwater zou een strategie kunnen zijn, maar als je 100% O2 in het water gaat bijmengen is dat een extra kostenpost." Is dat financieel interessant? "Dat moet je dus uitrekenen. Wij vinden dat moeilijk in te schatten, maar er zijn getallen van 3 tot 5% productiewinst in de tomaat. Dat is de worst die wij tuinders voorhouden. Ook zouden steenwolleveranciers een andere mat kunnen ontwikkelen die voorkomt dat er een zuurstoftekort ontstaat."

Real-time sturen

Hoe staat het met de belangstelling tot nu toe? "Wij hebben al zuurstofsensors verkocht aan plantenkwekerij Gitzels en aan veredelaar Anthura. We hebben het Max Planck Instituut in Duitsland als klant, en ook contacten met Engelse bedrijven, maar dat zijn vaak Nederlandse telers die daar achter zitten."
Hoeveel sensoren heb je eigenlijk nodig? "Wij beginnen altijd met een sensor, en zeggen: prik die op een representatieve plaats en ga daar eens meten. Maar als je het goed wil doen adviseren wij 2 tot 3 sensoren per hectare. Voor een standaard zuurstofsensor betaal je al gauw 3.000 tot 3.500 euro. Voor een gemiddelde tuin van 5 hectare kostte dat vroeger al gauw 50.000 euro. Wij hebben die een factor 2 goedkoper gemaakt."
Hij vervolgt: "Je begint natuurlijk met meten en kijken, maar uiteindelijk wil je ook de sturing er op gaan baseren. Dan moeten de sensoren op de klimaatcomputer worden aangesloten, dat is sinds kort mogelijk. Dan kun je real-time gaan meten en sturen."
Wat zijn de resultaten van tuinders die er mee werken? "Wat wij al verwachtten, namelijk: dat het zuurstofgehalte in het wortelmilieu regelmatig te laag is, al varieert dat per substraat. Als er veel microbieel leven is en het substraat lang nat blijft, bijvoorbeeld bij plantenkwekers, kun je al heel gauw last hebben van een zuurstoftekort."

Marketingstrategie

Wat is jullie marketingstrategie? "Wij zien de Nederlandse markt niet als een proeftuin, maar als een launching markt. Alles wat Nederland doet daar wordt goed naar gekeken door het buitenland. Als een Nederlandse teler zegt: dit gaan we doen en in onze teeltstrategie inbedden, dan volgt een aantal landen daarna vanzelf. Dat is onze insteek. De agrarische markt ontwikkelen wij als eerste, maar wij kijken ook naar de laboratoriummarkt, de biochemiemarkt, de food-industrie... Daar zijn zuurstof- en pH-metingen heel belangrijk. Er is eigenlijk nog geen sensor waarmee je in een voedselstroom pH kan meten. Een bedrijf als Masterfoods die dagelijks grote hoeveelheden sauzen en dergelijke produceert, die willen eigenlijk in line - tijdens de productie dus - de pH kunnen meten. Dat kan nu niet, want in een conventionele pH-meter zit een glaselektrode. En glas en voedsel is een no-go. Dus wat doen ze nu: de proces operators klimmen een trap op, nemen een monster, laten dat afkoelen en bepalen handmatig de pH-waarde en sturen daarna het proces bij. Veel te ingewikkeld. Eigenlijk is onze pH-sensor - die nog in ontwikkeling is - daar zeer voor geschikt. Die kan de pH goedkoop, snel en zonder glas continu en betrouwbaar meten."
Is Vertical Farming voor jullie een interessante markt? "Ik denk het wel. Ik denk dat VF en de digitale kas ontzettend goed bij elkaar passen en ik denk dat wij daar ook een rol in kunnen gaan spelen. We hebben daar nog geen contacten in. Wij denken wel al internationaal en zijn op zoek naar netwerken in sales die ons met de verkoop willen helpen."

Toekomstplannen

Wat zijn jullie toekomstplannen? "We willen een groot sensorbedrijf worden. De behoefte aan sensortechnologie is groot. Wij willen nieuwe producten blijven ontwikkelen, kleinere en goedkopere zuurstofsensoren, idem voor chlorofyl fluorescentie. De eerstvolgende sensor die wij gaan maken wordt waarschijnlijk een sensor voor het meten van CO2 in water, een hele belangrijke parameter. Maar ook in de kas zijn CO2 en de CO2-verdeling belangrijk. Ik heb zelf low cost CO2-sensoren voor de ventilatiemarkt ontwikkeld. Die hoeven niet zo duur te zijn als nu vaak in de tuinbouw het geval is. Er zijn heel veel sensoren die nu voor de CO2-sturing van gebouwen zijn ontwikkeld. Zo'n ding kost maar 35 euro. De tuinbouw is met dat zwavel en heel veel vocht in de lucht misschien een beetje ingewikkelder, maar ik denk dat er door heel veel spelers nog op safe wordt gespeeld. Daar worden gewoon de dure sensoren die al lang geleden zijn ontwikkeld, nog steeds gebruikt. Daarna gaan we ons richten op het ontwikkelen van sensors voor het meten van macronutriënten."
Waar staan jullie over vijf jaar? "Wij verwachten dat wij dan in een ander pand zitten met fors meer medewerkers, niet meer op een industrieterrein in Bunnik - op zich niks mis mee want ik woon nu op fietsafstand van mijn werk - en een redelijke productie van sensoren draaien en meer markten bestrijken..", aldus Arie Draaijer.

Tekst en foto's: Mario Bentvelsen.

,
227 0

‘Elk nadeel heeft zijn voordeel’, geldt zelfs voor de aangescherpte regelgeving rond lozingen. Volledig recirculeren bij paprika lukt inmiddels op onderzoeksniveau en levert, behalve veel meer inzicht, kostenbesparing op. Bedrijven kunnen emissie al grotendeels vermijden zonder te investeren in kostbare reinigingsapparatuur.

De proefafdeling bij het IDC Water in Bleiswijk is slechts 150 m2 groot, maar leverde in 2015 al veel nieuwe informatie op. In het eerste proefjaar is bij een paprikateelt op steenwol emissieloos recirculeren vergeleken met gangbaar telen en lozen. Een consortium van negen toeleveranciers, de waterschappen, de provincie Zuid-Holland en de Topsector Tuinbouw & Uitgangsmaterialen financieren niet alleen dit onderzoek, maar voorzien ook in nieuwe kennis en technieken. Samen sterk is hier zeker van toepassing.
Na het succesvolle resultaat van het eerste proefjaar is afgelopen jaar een tweede proef gehouden, nu met steenwol en kokos, volledig emissieloos. Waarom kokos? Eelke Hempenius van Grodan en Erik van Os van Wageningen University & Research leggen het uit. “Na de steenwolteelt wilden we tevens andere, niet inerte substraten testen. Er is namelijk behoefte aan een totaal overzicht voor emissieloos telen.”

Goed gietwater

Kokos bevat van nature al veel natriumchloride. Bij de start van het nieuwe seizoen bevatte het drainwater al 3 mmol/l natrium, ten opzichte van minder dan 1 mmol/l natrium in steenwol. Daarom hebben de proefnemers de kokosmatten vol gezet met CaNO3 (EC 3,5) voor de uitwisseling van natrium en calcium en zijn de matten gebufferd.
Door gedurende de teelt steeds schoon, natriumarm gietwater te gebruiken bleek het mogelijk om met kokossubstraat bijna dezelfde productie te halen als met steenwol. Het verschil kwam uiteindelijk uit op 6% in het voordeel van steenwol. Bij het bufferen op kokosmatten is gedurende de hele teelt 8 kg nitraat per ha geloosd, exclusief het restwater en de matten. Dat is een heel goed resultaat, want in 2015 kwam de gangbare teelt uit op 153 kg per ha.
Dat positieve resultaat stemt tot nadenken. Is het bijvoorbeeld mogelijk om zonder aanschaf van dure installaties al aan de lozingsnormen te voldoen? Ja, dat kan, denken de onderzoekers. Hempenius: “Goed, natriumarm gietwater is daarbij een voorwaarde. Als je heel goed water hebt, dan hoef je eigenlijk niet eens naar de achterkant te kijken.” Voor dat schone water heb je voldoende regenwateropslag nodig. Het advies is 1.500 m3 per ha. Omgekeerde osmose is daarbij een goede aanvulling.

Flink doorspoelen

Sinds jaar en dag lozen telers vóór de start van de teelt het eerste matwater, met het idee dat er stoffen in zitten die de jonge plantenwortels nadelig beïnvloeden. Volgens Hempenius is dat niet nodig. “De emissieproeven hebben dit ook bewezen. Ik merk dat dit idee nog heel erg tussen de oren zit.”
Tussen de oren, die uitdrukking valt vaker. De onderzoekers krijgen regelmatig van telers te horen dat ze liever niet recirculeren, omdat de planten hierdoor steeds dezelfde voedingsoplossing krijgen aangeboden. Dat argument verwijst Van Os naar het rijk der fabelen. Bij 30% drain bijvoorbeeld, wordt 70% van de voedingsoplossing ververst. De planten krijgen altijd voldoende nieuwe nutriënten aangeboden.

Angst om natrium

Verreweg de grootste angst van telers is dat natrium stapelt in het proceswater. Paprika, zo is bekend, kan ongeveer 6 mmol/l natrium verdragen, maar misschien ligt die grens nog hoger, stellen de onderzoekers. Inzicht over zouttolerantie ontbreekt nog en daar is nieuw onderzoek voor nodig. “We doen nog veel vanuit het gevoel om géén fouten te maken”, denkt Hempenius.
Deze 6 mmol/l natrium laat de EC stijgen met 0,6. Dan is er bij een EC van 2,5 nog voldoende ruimte om een goede, evenwichtige voedingsoplossing samen te stellen. Van Os: “Al gaan lozen bij 4 of 5 mmol/l natrium is dus echt niet nodig.”
Die voedingsoplossing moet dan wel zijn afgestemd op de behoefte van de plant. In het onderzoek is het proceswater wekelijks geanalyseerd. Partner Groen Agro Control heeft eveneens wekelijks een opnameanalyse gemaakt, op basis van gift, drain, temperatuur, lichtsom en CO2. Dat gaf extra inzicht in de behoefte van de plant. Deze intensieve manier van monitoren heeft een veel betere afstemming opgeleverd tussen aanbod en opname van nutriënten.
Van Os: “Op deze manier win je ook nog eens in groei en mogelijk in productie, omdat de behoefte van de plant meer bekend is.” Hij verwacht dat het in de praktijk eveneens die kant op zal gaan. Telers die nu nog eens per twee of drie weken monsters nemen, kunnen dat veel vaker doen. Het levert ze meer groei, minder lozing en uiteindelijk meer inzicht op. Onbalans in de voedingsoplossing komt hierdoor niet meer voor.

Laatste restjes opmaken

In het onderzoek lag bij de steenwolteelt veel nadruk op beëindiging van de teelt. Het doel was om de restvloeistof van 50 naar 20 m3 per ha terug te brengen, zonder lozen en zonder nitraat en fosfaat in het restvolume. Zo werd de totale watergift geleidelijk afgebouwd op basis van de stralingssom.
Het was tegelijkertijd nodig om de voedingsoplossing aan te passen, zodat de planten het laatste restje nitraat en fosfaat zouden opnemen. Dit gebeurde door nitraat voor eenderde te vervangen door chloride. De pH werd verlaagd om fosfaat en sporenelementen beschikbaar te houden voor de plant. Van Os: “Dit moet heel precies gebeuren, want het gewas mag niet slap gaan. Bij tomaat blijven de vruchten nog lang stevig, maar bij paprika gaan de vruchten sneller slap dan het gewas.”
Voor kokos gaat deze strategie van reduceren niet op. In dit substraat moet je draineren om tot het einde van de teelt een goede voedingssamenstelling aan te houden.

Betaalbare oplossing

Behalve het bewijs dat recirculatie met minimale lozing mogelijk is, heeft dit onderzoek veel meer opgeleverd. Zo hebben de onderzoekers weer meer geleerd over de samenstelling van de voedingsoplossing en een stap voorwaarts gemaakt om de werkelijke behoefte van nutriënten gedurende het hele teeltseizoen in beeld te brengen. Daarnaast is duidelijk geworden dat paprikatelers flink kunnen besparen op water en meststoffen. Dit kan oplopen van 5 tot 10% van het totale waterverbruik, Dit komt overeen met 400 tot 800 m3 per jaar. Dat kan een besparing opleveren van € 2,- tot € 3,- per m2.
Verreweg de grootste winst zit in het terugbrengen van de totale emissie door de eerste spui, bij het doorprikken van de matten en de eerste drain, opnieuw te gebruiken. Gedurende de teelt helpen slimme filtertechnieken (bijvoorbeeld een vlakbedfilter) en efficiënt water geven (onder andere door een snelle ringleiding) om de totale hoeveelheid proceswater terug te brengen. Die aanpassingen kunnen er in de praktijk voor zorgen dat ondernemers geen dure reinigingsapparatuur hoeven aan te schaffen.
Mocht het toch een keer nodig zijn om drainwater af te voeren, dan kunnen zij het opvangen in een silo en eventueel een loonwerker inschakelen voor het zuiveren. Zo is er toch een betaalbare oplossing om aan de nieuwe wetgeving te voldoen.

Samenvatting

Na emissieloos telen van paprika’s op steenwol in 2015 is afgelopen jaar kokos en steenwol beproefd. De resultaten met steenwol zijn goed. Ook met kokos gaat het de goede kant op. Met een slimme watergeefstrategie is het bovendien mogelijk om de emissie dusdanig terug te brengen dat investeren in reinigingsapparatuur niet nodig is. Telers moeten nog wel het vertrouwen krijgen dat het een veilige teeltmethode is.

Tekst en foto’s: Pieternel van Velden

,
256 0

Op je smartphone via een app de watergift volgen op je bedrijf. Is dat gewoon een leuke gadget of zit daar meer achter? Volgens specialist Andrew Lee gaat het hier om de start van een hele nieuwe ontwikkeling. Straks zal het mogelijk zijn om gepersonaliseerde adviezen te geven. Hiermee kan de teler het water geven naar een hoger plan tillen. Deze app gaat telers helpen actief in te spelen op gewijzigde teeltomstandigheden.

Voor het bekijken van deze content heeft u een lidmaatschap nodig, of log in als u al een lidmaatschap heeft.

,
435 0

Het vak van plantenkweker verandert voortdurend door schaalvergroting bij de telers, teeltspreiding en de wens naar 'andere' planten. De ontwikkelingen vanuit de teelt worden vertaald naar verzoeken aan het opkweekbedrijf. Dat betekent onder andere de vraag naar grotere planten om weer snel in productie te kunnen zijn en verschillende teeltblokmaten. Tegelijkertijd zijn er vanuit milieuoogpunt strengere eisen en moet de plantenkweker zijn restwaterstroom beperken.

Wim in 't Groen is teeltmanager bij de strategische partners Westlandse Plantenkwekerij (WPK) en Plantenkwekerij Van der Lugt. Drie jaar geleden hebben deze opkweekbedrijven ervoor gekozen om vanwege de verschillende ontwikkelingen in de markt met elkaar te gaan samenwerken. De voornaamste drijfveren waren de behoefte aan extra ruimte, optimalisatie, het maken van efficiëntieslagen en de inkoop bij leveranciers.

Meer koppen en minder planten

De opkweekbedrijven groeien mee met de ontwikkelingen. Niet alleen vragen klanten om steeds grotere aantallen, ook de plantwensen wisselen sterk als het gaat om het opkweken van de beste plant.
Hans van Herk, opkweekspecialist bij Grodan, ziet de ontwikkelingen vooral bij komkommer en tomaat snel gaan. De komkommerplanten worden alleen in de tweede en derde teelt getopt vanwege het licht. Bij tomaat, waar twee scheuten per plant de standaard is, ziet hij een ontwikkeling naar drie scheuten en in zonnige landen zelfs naar vier scheuten per plant. “Een balans tussen de scheuten aanhouden, is een lastige opgave voor de plantenkweker. Voor de telers heeft het voordelen. De derde scheut produceert sneller. De teler heeft sneller meer koppen per vierkante meter en minder planten per hectare nodig.”

Meer vormen en maten

In 't Groen herkent de ervaringen van de opkweekspecialist. “We zien bij komkommers eveneens de vraag naar getopte planten ontstaan, dus twee koppen per plant en bij tomaat naar driekoppers. Dat is bij sommige rassen zeker een grote uitdaging. Bovendien is er in bepaalde periodes vraag naar grotere (bloeiende) planten. De klant berekent wanneer hij in productie wil zijn en stemt daarop de gewenste plantontwikkeling af.”
Naarmate het volume van de planten groter is, met meer koppen per plant, moet volgens Van Herk ook het blokvolume toenemen. Een te klein blokvolume werkt tegendraads. Toch wil de plantenkweker hier niet teveel variatie in. Vier maten, zoals de steenwolleverancier ze standaard kan leveren, vindt In 't Groen voorlopig voldoende.
Lastig punt vindt hij de timing vanuit telerszijde. Doordat de orders steeds groter worden, hebben ze steeds meer impact. “Het liefst zouden we de planning een half jaar tot een jaar van tevoren hebben. In werkelijkheid horen we het vaak pas later. Bijvoorbeeld wanneer de teelt van planten voor het tussenplanten ineens toch vier tot acht weken eerder nodig zijn.”

Uniforme opkweekblokken

Om te kunnen voldoen aan de klantwensen stelt de plantenkweker steeds hogere eisen aan zijn teeltblokken. De teeltmanager werkt graag met blokken die uniform zijn qua materiaal en ook onderling, zodat ze gelijkmatig reageren op de watergift. “Als je een goede, uniforme basis hebt, dan kun je de planten gemakkelijker sturen. De foutkans bij ons neemt dan af.”
Voor de substraatfabrikanten op hun beurt is het de uitdaging om continu de substraten te optimaliseren om de plant zo goed mogelijk gebruik te laten maken van water en voeding in het totale substraatvolume. Nieuwe technologieën dragen bij om dit mogelijk te maken. Zo introduceert de substraatleverancier de nieuwe NG2.0 technologie.
Het proces begint met het nat maken van de blokken. “Het is van belang dat alle blokken snel en gelijkmatig nat worden. Daarnaast is het vanuit milieuoogpunt noodzakelijk dat dit met minder water gebeurt”, vertelt Eelke Hempenius, productontwikkelaar bij Grodan. Dit was een van de aandachtspunten bij de ontwikkeling van de producten met de nieuwe technologie.

Generatieve planten

Ook om goed te kunnen sturen naar een bepaald planttype is het van belang dat de blokken onderling hetzelfde reageren en de juiste eigenschappen hebben. Denk aan het goed interen, tot 40 à 45% bij tomaat en weer herverzadigen. Ook een gelijkmatige verdeling van water plus voedingsstoffen en lucht in het substraatvolume zijn van belang, zodat de wortels zich mooi homogeen verdelen. “Klanten van de plantenkweker willen graag een generatieve plant. Watergeven is, zeker in de zomerteelten, een belangrijk instrument om de planten hierin te sturen”, zegt Van Herk.
In 't Groen: “Minder water betekent minder groei, dus een meer generatieve plant. De nieuwe generatie steenwolblokken houdt het water beter vast. Als de blokken onderling gelijker zijn, ook bij een laag watergehalte, kun je langer wachten met water geven om de planten te sturen. We geven water op het droogste blok. Je kunt dan één à twee beurten overslaan. Bij tomaat gaan we verder terug in blokgewicht dan bij komkommer. Het voordeel van het droger kunnen telen bij tomaat is vooral het net iets scherper wegzetten. Bij komkommer betekent de gelijkheid van het blok dat bijvoorbeeld de kans op Pythium kleiner wordt.”

Kwaliteit voorop

Voor de teeltmanager staat de kwaliteit van de planten altijd voorop. Wanneer hij, zoals nu, overstapt op een ander teeltblok gaat hij niet over één nacht ijs. Zo'n introductie begint met proeven bij telers. Zo deed hij in 2014 ook eerst proeven bij telers met steenwolblokken met de nieuwe technologie. Toen bleek dat het natmaken uniform en snel verliep, de blokken mooi stevig bleven en de planten positief reageerden, heeft hij de proef de afgelopen winter verder uitgebreid met hele partijen. “Afgelopen najaar zijn we bij steeds meer partijen komkommers overgegaan en komende winter gaan we helemaal over. Voor de tomaten gaan we ook voor een groot deel om naar de vernieuwde blokken.”

Minder lozen

In het hele plaatje van beter inspelen op de vragen van telers, speelt tevens de verplichting voor de plantenkwekers zelf om te voldoen aan de verschillende milieueisen. In 2027 moet de emissie vanuit de glastuinbouw naar nul volgens de doelstelling van de Kaderrichtlijn Water. Dat geldt ook voor opkweekbedrijven. Drainwater mag in de toekomst bijna niet meer worden geloosd op de sloot of riolering. De emissienormen van water worden sinds 2013 in fasen steeds een beetje strenger. Per 1 januari 2018 worden de normen weer iets verder aangescherpt.
De nieuwe generatie steenwol zorgt op twee manieren voor een verbeterde kwaliteit van het gerecirculeerde water. De nieuwe steenwol is zuiverder. “Hoe zuiverder de steenwol is, des te minder water we hoeven te lozen vanwege hulpstoffen. Maar bij twijfel ververs ik het water”, legt In 't Groen uit.

Waterstroom beperken

Door de watergeefstrategie zo optimaal mogelijk op het gewas af te stemmen, kan de teeltmanager het totale volume aan water dat in omloop is op het bedrijf verminderen. Ook hierbij is het weer belangrijk dat de blokken onderling zo gelijk mogelijk zijn, omdat de teeltmanager op het droogste blok water geeft. Op dit moment zit hij op ongeveer 1,5 maal het blokvolume dat hij aan water nodig heeft. Het zou mooi zijn als dit af zou kunnen nemen tot 1,3 maal het blokvolume. “Reken maar uit over hoeveel bedrijfswater het gaat als je in een week een miljoen blokken hebt staan. Alles wat je kunt reduceren is positief. Water dat niet uitdraineert, hoef je niet te ontsmetten. En als je minder water van een hoge EC op hoeft te slaan, heb je meer speelruimte.”

Samenvatting

Plantenkwekers krijgen te maken met schaalvergroting van hun klanten en de wens naar 'andere' planten. De mogelijkheid om andere planten te kunnen leveren, hangt samen met de ontwikkelingen op substraatgebied. De nieuwe generatie steenwol is gelijkmatiger en presteert beter, zodat bij de opkweek de planten beter zijn te sturen naar het gewenste type plant. Tegelijkertijd zijn er vanuit milieuoogpunt strengere eisen en moeten ook de opkweekbedrijven hun restwaterstroom beperken.

Tekst en foto's: Marleen Arkesteijn.

,
506 0

In samenspraak met zijn retail-klant teelt Tomato Masters in het Belgische Deinze op organisch substraat. Zo kunnen de trostomaten in de winkel worden gepromoot als goed smakend Belgisch lokaal product, ‘geteeld in rijke grond’. Teeltmanager Tom Vlaemynck belicht de verschillen tussen het telen op steenwol en op het organische substraat.

Tomato Masters bestaat sinds 2012 en heeft in zijn eentje de hele aangewezen tuinbouwzone van 36 ha in Deinze (Oost-Vlaanderen) aangekocht. Het bedrijf wordt geleid door de broers Herman, Dirk en Johan, Tom (zoon van Dirk) en Tim (zoon van Herman) Vlaemynck. Ze kwamen van Poesele, waar ze nog een bedrijf van 3 ha hebben, met een historie die teruggaat tot 1966. Voor 5 bedrijfshoofden was die locatie echter te klein, zodat ze de uitbreiding 12 kilometer verderop hebben gezocht. Momenteel staat er 10,5 ha glas en er is dus ruimte voor flinke groei.
In Poesele wordt de grove trostomaat Merlice geteeld. In Deinze pruimtomaten, cherry’s en middel trostomaten van het goed smakende ras Foundation. De laatste staan op organisch substraat (6,3 ha), de andere rassen op steenwol (4,5 ha).

Planten generatief houden

Op het oude bedrijf hadden de ondernemers al ervaring met de Peltracom Grow Bag. Bij de komst van Tom Vlaemynck als teeltverantwoordelijke zijn ze echter weer teruggegaan naar steenwol. “Ik wilde geen risico nemen; ik kende steenwol goed. Op de organische mat lieten we bovendien wat productie liggen”, vertelt hij.
Door gezamenlijke inspanningen van de leverancier en teeltadviseur Jos Christianen is inmiddels duidelijk hoe dat te voorkomen valt. “De opstart verloopt totaal anders dan bij steenwol. Omdat we in het begin te veel water gaven, bleef de plant te vegetatief”, vertelt hij. “Bij steenwol druppel je de mat aan het begin vol met 20 liter, bij het organische substraat is dat totaal anders. Daar begin je met maar 3 liter. Vervolgens druppel je door de pot heen, die je meteen op het plantgat zet. Als je het zo aanpakt, kun je de plant generatief genoeg houden.”
Er is onderzoek bij het Provinciaal Proefcentrum voor de Groenteteelt Oost-Vlaanderen aan te pas gekomen om tot de juiste beginstrategie te komen, vertelt Hans Baekelmans van de substraatleverancier. “Bij steenwol moet het matgewicht in het begin van de teelt zakken, voordat je gaat draineren. Bij organisch substraat blijft het gewicht stabiel. Dat is dus een heel andere manier van telen”, voegt de teler toe.

Vlotte weggroei

Wat ook heel anders is, is de arbeidsbehoefte bij het planten. Bij de Grow Bag zetten ze de plant meteen op het plantgat van de mat en steken stokken ernaast om deze stabiel te houden. Bij steenwol staat het blok eerst naast het plantgat en wordt de plant naderhand verzet en met stokken vastgezet. Zo is de arbeid gespreid over twee werkgangen. “We waren eerst niet helemaal voorbereid op een hogere arbeidspiek, maar als je het weet kun je het plannen”, vertelt Vlaemynck. “In totaal kost het niet meer werk. Opvallend is ook dat er minder planten omvallen dan op steenwol.”
Omdat de plant direct op het gat wordt gezet, maakt hij al vroeger in de teelt meer wortels. “De weggroei is heel vlot. Vanaf de tweede tros kun je echt snelheid maken, terwijl je bij steenwol even moet inhouden”, vertelt hij. Toch heeft hij niet meer productie kunnen realiseren bij deze vliegende start. Dat zou aan de omstandigheden van dit voorjaar kunnen liggen. “Dit jaar zat het weer in het begin niet mee. Misschien dat je bij veel meer licht wel beter kun profiteren van het grotere wortelstelsel”, zegt hij.

Authentieke producten

Ook in de kwaliteit van de vruchten ziet hij geen verschillen tussen de twee substraatsoorten.
De Grow Bag bestaat uit veenbrokjes met een kleine fractie kokos, omhuld door een folie. Het materiaal is recyclebaar. “Er wordt veencompost van gemaakt voor bodemverbetering in de hoveniersector”, vertelt sales manager Els Thoelen. “Als je de folie eraf snijdt, krijg je geld toe omdat het product nog waarde heeft.”
Het feit dat het om organisch materiaal gaat dat recyclebaar is, maakt dat het substraat past binnen de FQC-label van Carrefour (FQC = Filière Qualité Carrefour). De supermarkt belooft daarmee aan de consument authentieke producten met een goede smaak en constante kwaliteit, geproduceerd met respect voor de omgeving in een duurzame relatie tussen afnemer en producent. Momenteel vallen vijf groenteproducten onder FQC: naast deze trostomaten ook asperges, vollegronds witlof, aardappelen en speciale wortels geteeld op leemgrond.

Speciaal lastenboek

De belangstelling van de supermarktorganisatie voor de teelt in de grond (in dit geval potgrond) heeft de doorslag gegeven bij de keuze van de telers voor organisch substraat. Er staat een kleine meerprijs voor de tomaten tegenover. Ze worden in speciale eenlaags kisten gepresenteerd, waar negen trossen in passen. Een kistkaart beschrijft waarom deze tomaten zo speciaal zijn en de foto van Tom Vlaemynck laat zien waar ze vandaan komen. Ook speelt hij de hoofdrol in een promotiefilm die in de winkels wordt afgespeeld. Zo krijgt hij langzamerhand de status van BV (Bekende Vlaming).
Voor het label geldt een speciaal lastenboek (pakket van eisen). Behalve de genoemde punten schrijft dat voor om het water- en middelengebruik bij te houden. Het bedrijf gebruikt alleen regenwater en past biologische bestrijding toe. Sinds de planting 2 januari is er – bij het schrijven van dit artikel – nog geen chemisch middel ingezet.
Om de gewenste smaak en kwaliteit te bereiken, druppelt Vlaemynck in het begin van de teelt met een relatief hoge EC van 4,5. “Ook in de zomer gaan we niet terug tot een heel lage waarde. We gebruiken dan veel water met een relatief hoge EC. Op deze manier blijft de kwaliteit beter. Het overtollige water vangen we allemaal op.”

Bodemweerbaarheid

Op organisch substraat kan zich sneller een heel gevarieerd bodemleven ontwikkelen dat zorgt voor weerbaarheid. In de strijd tegen crazy roots kan dat een hulpmiddel vormen. Om die reden is intussen ook een groot Nederlands tomatenbedrijf overgegaan op deze matten. Bij Tomato Masters speelt het probleem van crazy roots echter niet. De teler heeft wel aandacht voor de bodemweerbaarheid; in samenspraak met Koppert Biological Systems heeft hij ervoor gekozen om Trichoderma in te mengen in het substraat; deze schimmel koloniseert goed in het organische milieu.
Al met al vindt Vlaemynck telen op organisch substraat toch veel lijken op de teelt op steenwol, afgezien van de eerste periode, waarin de watergift heel anders moet worden aangepakt.

Samenvatting

Tomato Masters in Deinze teelt een flink deel van zijn tomaten op organisch substraat omdat dat meerwaarde geeft voor de afnemer, die het product onder een speciaal label verkoopt. Het substraat vergt in het begin een heel andere watergeefstrategie dan steenwol, maar na deze fase verschilt de teelt weinig. Wellicht is nog meer profijt te halen uit de snelle weggroei in het begin.

Tekst: Tijs Kierkels. Foto's: Wilma Slegers.

,
302 0

Een van de voorwaarden voor succes met een goede teelt is de gelijkheid van omstandigheden voor alle planten. Dat geldt voor het kasklimaat en voor het wortelmilieu. Een goed ontworpen substraatteeltsysteem voldoet aan deze voorwaarde, of dat nu een teelt op water, in substraat of een potgrond betreft. Naast gelijkheid is stuurbaarheid een factor van belang. Als een teler iets wil bijsturen of veranderen, dan moet dat liefst vlot en ook weer gelijkmatig plaatsvinden.

De systemen waarmee je stuurt moeten dat ook kunnen. Voor het kasklimaat is dat al een uitdaging voor de ontwerpers van kassen, zowel wat betreft de ventilatie als van de energiesystemen in de kas. Terecht is daar veel aandacht voor. Voor het wortelmilieu geldt hetzelfde. Bij de keuze van het substraat wordt zeker aandacht gegeven aan de mogelijkheid van gelijkmatig bijsturen. Fabrikanten perfectioneren hun substraten steeds verder zodat de juiste omstandigheden, gelijkheid en sturing mogelijk zijn.

Irrigatiesysteem

Aansturen en het aanbrengen van veranderingen in het wortelmilieu vinden vooral plaats via het geven van water en de voedingsoplossing. Daar gebruiken we het irrigatiesysteem voor. Het is echter vaak een systeem van kilometerslange leidingen. Het is daardoor traag en – ongewild – ook ongelijkmatig. Aansturen van de voedingsoplossing is daardoor moeilijk en het beïnvloeden van het bioleven in het wortelmilieu gecompliceerd. Bij grotere kassen en grotere systemen wordt het nog trager en ongelijkmatiger. Het ontwerpen van een goed irrigatiesysteem is een vak apart. Als u de kans hebt: aandacht daarvoor is op zijn plaats.

Geerten van der Lugt
Adviseur gewas, water en plantenvoeding

,
401 0

In seizoen 2016-2017 zal er weer belichtingsonderzoek plaatsvinden bij het Delphy Improvement Centre in Bleiswijk. Ditmaal kiezen de onderzoekende partijen voor fijnere tomatentypen. De start van de teelt is 18 augustus. Vanwege dit vroege tijdstip gaat het huidige tomatengewas er wat sneller uit. Piet Hein van Baar van Philips Horticulture meldt dat open gewassen en vroege plantingen waarschijnlijk meer baat hebben bij topbelichting met LED’s.

Fijnere tomatenrassen komen dan al snel in beeld. Daarom zal het tros-cherry tomatenras Juanita in de nieuwe proef het hoofdras zijn. Natuurlijk zullen er ook wat andere rassen meelopen, zoals afgelopen seizoen.

Arjan Bimmel van De Ruiter meldt dat het veredelingsbedrijf meer wil focussen op smaak en duurzaamheid. Om die reden is het geïnteresseerd in de deelproef met twee watergeefstrategieën. Vorig jaar (2014/15) gebeurde dat ook al, met twee en drie liter druppelaars. In de nieuwe proef is gekozen voor één soort druppelaars en door middel van variatie in druppelbeurten en EC.

Topproductie

Vanwege de vroege plantdatum is de proef met de grove trostomaat Merlice vroeg afgerond. Ondanks de korte teeltduur van week 42 tot en met week 31 is er een topproductie van 90 kg/m2 gehaald. Daarvoor is wel maximaal belicht met 104 µmol/m2/s toplicht en twee rijen tussenlicht van ieder 53 µmol/m2/s. Afgelopen seizoen heeft een enthousiaste begeleidingscommissie van telers de proef gevolgd en aangestuurd. Het initiatief voor deze demonstratieproef ligt bij Philips Lighting, Delphy, De Ruiter en Cultilene.

Tekst en foto: Pieternel van Velden.